Je verliest je baan. Wat dan? De overheid heeft een vangnet — de WW — maar dat vangnet heeft begrensde hoogte, een beperkte duur en strenge voorwaarden. Dit artikel legt uit hoe de WW werkt, wat de IOW, IOAW en IOAZ zijn, en wat werkloosheid concreet betekent voor je maandelijkse inkomen.
Dit artikel bespreekt de hoofdlijnen vanuit financieel perspectief. De rekenvoorbeelden zijn illustratief en vereenvoudigd. De werkelijke uitkering hangt af van je persoonlijke situatie, dagloon en arbeidsverleden. Raadpleeg het UWV voor je specifieke situatie.
De Werkloosheidswet (WW) is een werknemersverzekering: een verplichte regeling voor iedereen in loondienst. Als je je baan verliest buiten je eigen schuld, heb je recht op een tijdelijke WW-uitkering. De WW is bedoeld als overbrugging — de tijd om een nieuwe baan te vinden.
De WW wordt uitgevoerd door het UWV. De premie wordt ingehouden via de loonheffing — je betaalt er automatisch aan mee zolang je werkt.
Let op: zelfstandigen (zzp'ers) hebben geen recht op WW. Als zelfstandige heb je geen werkgever die premie afdraagt en dus geen WW-opbouw. Dit is een van de financiële risico's van het zelfstandig ondernemerschap. Lees meer op de pagina ondernemen.
Je hebt recht op WW als je voldoet aan twee eisen:
Je moet in de 36 weken vóór je werkloosheid minimaal 26 weken hebben gewerkt. Dit bepaalt of je überhaupt recht hebt op WW. Voldoe je hier niet aan, dan is er geen WW-uitkering.
Wil je langer dan drie maanden WW ontvangen, dan moet je in de vijf jaar vóór je werkloosheid minimaal vier jaar hebben gewerkt. Per gewerkt jaar bouw je één maand WW-duur op — tot een maximum van 24 maanden.
Daarnaast geldt: je bent werkloos buiten je eigen schuld. Neem je zelf ontslag, dan heb je in principe geen recht op WW. Ga je met wederzijds goedvinden (vaststellingsovereenkomst), dan kan de WW wel ingaan — maar pas na een zogeheten fictieve opzegtermijn.
De WW-uitkering is gebaseerd op je dagloon: je gemiddelde bruto dagloon in het jaar vóór je werkloosheid. De berekening kent twee fasen:
| Fase | Periode | Uitkeringshoogte |
|---|---|---|
| Fase 1 | Eerste 2 maanden | 75% van het dagloon |
| Fase 2 | Maand 3 tot einde | 70% van het dagloon |
Er geldt een maximum dagloon van €282,29 bruto per dag (2026). Verdien je meer dan dat, dan wordt de WW berekend over het maximum — niet over je werkelijke loon. Dit maximum dagloon staat gelijk aan een bruto maandsalaris van circa €6.100. Wie meer verdient, ziet zijn WW dus relatief lager uitvallen.
De duur van je WW hangt af van je arbeidsverleden: het aantal jaren dat je hebt gewerkt. Voor elk volledig gewerkt jaar bouw je één maand WW-recht op. De maximale duur is 24 maanden.
| Arbeidsverleden | Maximale WW-duur |
|---|---|
| Minder dan 1 jaar gewerkt | 3 maanden (minimaal) |
| 5 jaar gewerkt | 5 maanden |
| 10 jaar gewerkt | 10 maanden |
| 20 jaar gewerkt | 20 maanden |
| 24 jaar of meer gewerkt | 24 maanden (maximum) |
Hieronder drie voorbeelden met verschillende inkomensniveaus. We tonen steeds het bruto maandsalaris, de WW-uitkering en het netto inkomensverlies.
* Alle bedragen zijn indicatief en afgerond. Netto bedragen zijn een schatting op basis van gangbare heffingskortingen. Raadpleeg het UWV voor je exacte situatie.
Voor Lisa is het inkomensverlies beheersbaar — ruim €500 netto per maand. Maar als ze na 8 maanden nog geen werk heeft gevonden, stopt de WW volledig. Ze valt dan terug op de Participatiewet (bijstand), als ze geen of weinig vermogen heeft.
Voor Peter is het verschil fors. Hij verdiende €7.500 bruto maar de WW is begrensd aan het maximum dagloon — zijn WW is feitelijk berekend over €6.100 bruto. Maandelijks gaat er €1.500 netto af. Met een hypotheek van €2.200 per maand en vaste lasten wordt dit snel nijpend. Na 22 maanden stopt de WW en is er geen overheidsregeling meer voor Peter — hij is jonger dan de IOW-leeftijd.
Fatima heeft kort gewerkt en heeft daardoor maar 3 maanden WW. Na die drie maanden is er geen uitkering meer. Ze is te jong voor de IOW en heeft geen recht op IOAW. Als ze geen baan vindt, is de Participatiewet (bijstand) haar enige optie — met een vermogenstoets en een uitkering op bijstandsniveau.
Hoe hoger je inkomen en hoe korter je arbeidsverleden, hoe harder de klap bij werkloosheid. Wie meer verdient dan het maximum dagloon (~€6.100 bruto) ervaart een onevenredig groot inkomensgat. En wie weinig jaren heeft gewerkt, heeft maar een korte WW. Een financiële buffer van drie tot zes maanden netto-inkomen is voor iedereen een verstandige basis.
Een WW-uitkering is niet vrijblijvend. Je hebt verplichtingen tegenover het UWV:
Kom je je verplichtingen niet na, dan kan het UWV je uitkering tijdelijk verlagen of intrekken.
De Toeslagenwet vult de WW-uitkering aan tot het sociaal minimum als de uitkering lager is dan het netto minimumloon. Dit is relevant voor mensen met een laag dagloon of een WW-uitkering die door verrekening met inkomen sterk is gedaald.
De Toeslagenwet is een vangnet binnen het vangnet. De toeslag wordt automatisch berekend door het UWV — je hoeft hier niet apart om te vragen. Let op: de Toeslagenwet kijkt naar het gezinsinkomen. Heeft je partner inkomen, dan kan dat de toeslag beperken of uitsluiten.
De Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW) is een vangnet voor werklozen die bij het einde van hun WW-uitkering 60 jaar of ouder zijn. De IOW voorkomt dat oudere werklozen direct in de bijstand (Participatiewet) terechtkomen.
De IOW-uitkering bedraagt 70% van het netto minimumloon per maand — ongeacht je vroegere inkomen. Er is geen vermogenstoets: je spaargeld of overwaarde op je woning tellen niet mee. Dat maakt de IOW gunstiger dan bijstand voor mensen met eigen vermogen.
Peter uit voorbeeld 2 is 48 jaar en valt na zijn WW buiten de IOW — hij is te jong. Maar stel hij was 62 jaar geweest bij ontslag, dan had hij na zijn WW recht gekregen op de IOW: ca. €1.100 netto per maand, zonder vermogenstoets, totdat hij de AOW-leeftijd bereikt. Dat is een stuk minder dan zijn oude inkomen, maar beter dan bijstand.
De IOAW is voor werknemers die geboren zijn vóór 1 januari 1965 én die na hun WW geen recht hebben op de IOW. De IOAW geeft een uitkering op bijstandsniveau, maar zonder vermogenstoets. Dat is het grote voordeel ten opzichte van de reguliere bijstand: eigen vermogen (spaargeld, overwaarde woning) telt niet mee.
De IOAZ is de tegenhanger van de IOAW voor zelfstandigen die hun bedrijf hebben beëindigd vanwege teruglopende inkomsten of arbeidsongeschiktheid. Ook hier geldt: uitkering op bijstandsniveau, maar zonder vermogenstoets op de eigen woning. Je moet wel kunnen aantonen dat je bedrijf niet meer rendabel was. De gemeente voert de IOAZ uit.
Werkloosheid en een lopende hypotheek is een combinatie waar veel mensen zich niet goed op voorbereiden. Een paar praktische punten:
De WW is een tijdelijk vangnet, geen inkomensgarantie. Wie meer verdient dan modaal, ervaart een relatief groot inkomensgat. Wie kort heeft gewerkt, heeft maar een korte uitkering. En wie aan het einde van de WW staat zonder nieuwe baan, heeft een beperkt vangnet — zeker als je vermogen hebt.
Een financiële buffer opbouwen is de meest directe manier om jezelf te beschermen bij werkloosheid. De Vermogensvergelijker® helpt je inzicht te krijgen in je financiële positie — inclusief hoeveel buffer je hebt en hoelang je daarop kunt teren bij inkomensverlies.
Met De Vermogensvergelijker® breng je inzichtelijk hoe lang je financiële buffer reikt bij werkloosheid — en wat je maandelijks nodig hebt om je vaste lasten te blijven betalen.
Start gratis met De Vermogensvergelijker®Wil je meer weten over de financiële gevolgen van werkloosheid voor je hypotheek, buffer of pensioen? Plan hieronder gerust een gratis gesprek van 15 minuten.
Plan een gratis gesprek